december 22, 2022
Geschreven door: Marc Puyol Hennin

Kan langer

Het debat is beslecht: Messi is de grootste en het gaat er enkel nog om of hij ook de beste atleet ooit is. Hetzelfde geldt voor ‘lang uitgesponnen concerten’ versus ‘kort en krachtig’. Jarenlang was de keuze tussen deze twee formats – veelal gereduceerd tot zaal- versus festivalconcerten – een twistpunt onder liefhebbers van livemuziek. Er is vandaag echter geen reden meer om in twijfel te trekken dat eender welke set die tijd opeist van de toeschouwer, ook als superieur beschouwd mag worden.

Punk was ooit het perfecte tegengif in tijden van gitaren met een dubbele nek, open haarden in een privé-vliegtuig en een hippiescene in volle decadentie. Bij gebrek aan tegenculturen moeten we het vandaag doen met hoe livemuziek wordt gebracht: wel of geen visuele ondersteuning, de keuze voor deep cuts dan wel hits en natuurlijk de opbouw en lengte van een setlist. In al deze elementen zit een bepaalde mate van rebellie of conformisme – meer dan dat vroeger het geval was.

Enigszins teleurgesteld waren we toen bleek dat The Cure anno 2022 niet meer goed is voor 3,5 uur inclusief vier toegiften. Ze begonnen nog zo veelbelovend, met eerst negentig minuten pure donkerte (weliswaar zonder ‘One hundred years’, maar soit) en dan werd het in sneltempo lichter. De hitjes van weleer werden afgehaspeld en zo kon een publiek van ouders en kinderen al bij al tevreden naar huis. Je moet die kids natuurlijk niet overrompelen met een songselectie waarvan ‘A Forest’ zowat het verteerbaarst klinkt, wetende wat diezelfde kids vandaag ervaren op het vlak van (live)muziek.

De positivo zou counteren: ‘goed dat een band als The Cure wat korter en bondiger sets speelt, zo worden ze niet saai of langdradig.’ Helemaal onwaar is dat niet, natuurlijk. Zo’n vierde toegift is echt onnodig en zo kunnen we ons ook nog een show van Prince op het Gentse Sint-Pietersplein herinneren die simpelweg té lang doorging. Eens de grens van vier uur is gepasseerd, is het niet meer leuk bij dat soort optredens. Tenzij je masochistisch bent ingesteld of iets hebt aan je grenzen verleggen.

Waarmee we tot de theorie komen. Marina Abramovic was een paar maanden terug in de Carré in Amsterdam, waar bezoekers 12 uur lang diverse marathonperformances van door Abramovic geselecteerde artiesten konden ervaren. De grande dame van de performancekunst zelf hield het bij een bondige presentatie over de grootheden van de extreem langdurende performancekunst, met als meest tot de verbeelding sprekende naam uiteraard Tehching Hsieh.

Uiteindelijk viel die Abramovic-dag in de Carré nogal lichtjes uit; een fervente festivalganger zit zoiets met de vingers in de neus uit. Als we even de schaamteloze exploitatie van haar eigen merk op zo’n middag voor grachtengordelkleinburgers buiten beschouwing laten, heeft Abramovic met haar benadering natuurlijk wel een punt: enkel (performance)kunst die je je eigen grenzen laat verleggen, is transformatief en omdát het je verandert, is het in zekere zin de ultieme – misschien wel hoogste – kunstvorm. Kort door de bocht, maar dat is de boodschap die Abramovic al jaren predikt, en niet zonder reden. Even haar bedenkelijke spiritualiteit en algemene wappieness vibe achterwege latend, that is.

Abramovic beschrijft een pijngrens waar je als performer overheen moet. Het is bijna niet te doen, maar als het je lukt, dan haal je plezier uit pijn en zijn je lichaam en geest schijnbaar tot alles in staat. Dit doet al gauw denken aan Oosterse invloeden – niet toevallig is Abramovic’ filosofie een amalgaam van dingen die ze over decennia heen heeft opgepikt op diverse werelddelen. Tegelijk is haar non-conformistische, hardcore praktijk een inspiratie die juist vandaag interesse wekt bij mensen die het vluchtige, oppervlakkige en ultiem lege karakter van het leven, en dus ook cultuur, anno 2022 meer dan zat zijn.

Terug naar concerten. Max Richter of Jacob Lekkerkerker daargelaten, kan livemuziek zelden veel langer duren dan een paar uur. The National pullde ooit een Abramovic in het MoMa op uitnodiging van Ragnar Kjartansson, al was hier nooit sprake van enige lineariteit of (doelbewuste) evolutie in die uitvoering. Eerder lijkt het herhalen van hetzelfde nummer op een vorm van foltering. De ‘gewone’ uitzonderingen zijn veelal artiesten of bands met een enorm repertoire om uit te kiezen, en het uithoudingsvermogen om daar ook een groot deel van uit te voeren.

Vanuit een puristisch oogpunt zijn pauzes – in het midden of voor een toegift – eigenlijk een smet op zo’n lange set. En het kan wel degelijk zonder, zo weet iedereen die The Mars Volta in 2008 drie uur lang bezig zag. Om maar iets te noemen. Toch leek het de laatste 15 jaar steeds achteruit te gaan met settijden, met name op festivals. Dat is al langer dan vandaag iets wat haaks staat op de noodzaak om te ontsnappen aan de vluchtige impressies waar malafide figuren als Zuckerberg grotendeels voor verantwoordelijk zijn. Natuurlijk is het voor bands en organisatoren makkelijker om zich aan te passen aan een tanende aandachtspanne, maar dat maakt het algemene probleem nog erger – en ultiem hun eigen bestaan onmogelijk.

Pleiten voor langere sets in alle contexten, dus ook festivals, is dus in zekere zin een daad van verzet waarmee de concertbezoeker zichzelf moedwillig en wellicht ook deels geforceerd onderdompelt in een vreemd referentiekader van stimuli en tijdsbesef. En bear with us, want dat kan op diverse manieren.

Zo hebben de meeste namen die op nichefestivals staan zelden genoeg repertoire om een uur mee te vullen. Velen zijn beginnend, of hun werk verschilt te veel van project tot project, of – kan natuurlijk ook – dat wat ze maken was nooit bedoeld om liberaal over een publiek heen gestort te worden. Jawel, we weten donders goed dat less in veel gevallen nog steeds more betekent en zal blijven betekenen. Maar ook daarvoor is een oplossing: kijk naar het inmiddels legendarische 24 hour drone fest, dat in 2014 een uitstapje maakte naar Le Guess Who? Festival. Of de programmablokken op Unsound Festival, waar op één avond op één locatie twee tot drie acts aan elkaar worden gekoppeld met weinig tijd tussen en fysiek geïsoleerd van de rest van het festival. Als bezoeker ben je aangewezen op wat je voorgeschoteld krijgt. Ooit zou dat als een zwaktebod kunnen beschouwd worden, maar niets is minder waar.

In zekere zin is een pleidooi voor lange sets en programma’s die de bezoeker voor een voldongen feit stellen, dus ook een pleidooi voor less is more in de bredere zin. Lange sets of programmablokken betekenen immers minder afleiding en onnodige stimuli. Veelal kan een lang concert ook niet voorzien worden van al te veel visuele elementen, omdat de productiekosten – vooruit, Rammstein is de evidente uitzondering – uit de pan zouden swingen. Robert Smith en co houden het sinds jaar en dag bij simpele visuals. Hetzelfde gold recent ook voor twee tot drie uur durende sets van Porcupine Tree en Opeth. Volgens sommigen was de podiumproductie ‘gedateerd’. Wij houden het liever bij de woorden van Michael Akerfelt: ‘we brought some visuals and rented these screens with our own money, because we know you like to look at a screen.’ Cynisme daargelaten, heeft hij een punt. Visuals vallen haast niet meer weg te denken en hoeven niet storend of te aanwezig te zijn, maar er is misschien wel nog minder verkeerd met een partij backdrops of een strakke lichtshow – twee dingen die veelal nog meer naadloos matchen met de muziek die op het podium wordt gespeeld.

Het allerbelangrijkste aspect van lange concerten is dat je wanneer gedwongen tot het uitoefenen van een flinke portie geduld – denk: geen visuals, geen bindteksten, geen pauzes – wellicht een soortgelijk mentaal omslagpunt bereikt als dat waar Abramovic op doelde met haar fysieke performances. Eens je in die zone terechtkomt, beleef je dingen anders. En waar dat twintig jaar geleden een relatief klein verschil was met de dagelijkse werkelijkheid, is dat verschil vandaag – onderschat het maar niet – gigantisch. En net zo gigantisch is dus de meerwaarde van een lekker lang optreden.

Close
Menu